c. Arbeidsduur en arbeidstijden

9. Arbeidsduur bij voltijd

  1. De arbeidsduur per week bij een voltijds dienstverband bedraagt gemiddeld 36 uur.
  2. Indien sprake is van een verlofdag, omvat deze 7,2 uur bij een voltijds dienstverband en een evenredig deel daarvan bij een deeltijds dienstverband.
  3. Indien sprake is van een studiedag dan gelden de nadere bepalingen uit artikel 35 lid 2 en artikel 36 lid 2.
  4. Indien sprake is van arbeidsongeschiktheid dan geldt in de week dat een werknemer zich ziekmeldt, het aantal gewerkte uren plus ingeroosterde (maar wegens arbeidsongeschiktheid niet-gewerkte) uren van die week. Het totaalaantal gewerkte, inclusief ingeroosterde uren in die week omvat maximaal 36 uur. Indien een werknemer bij ziekmelding reeds meer dan 36 uur gewerkt heeft dan geldt het aantal reeds gewerkte uren. Na de week van ziekmelding is een dag arbeidsongeschiktheid gelijk aan 7,2 uur. De week start op maandag. Voor deeltijders is het maximum van 36 uur naar rato van het deeltijds dienstverband.
  5. Het aantal arbeidsuren per jaar bedraagt 52 x het aantal uren dat met de werknemer per week gemiddeld is overeengekomen, vermeerderd met 7,2 uur (in schrikkeljaren: 2 x 7,2 uur) naar rato dienstverband, zijnde de laatste dag(en) van het seizoen c.q. kalenderjaar (30 en 31 augustus of 30 en 31 december), indien deze dag(en) niet in een weekend vallen. Voor een werknemer met vaste werktijden op vaste werkdagen wordt de 7,2 uur vervangen voor het gebruikelijk aantal te werken uren op de betreffende dagen.
    Het aantal arbeidsuren per jaar voor de werknemer bedraagt het aantal te werken arbeidsuren op jaarbasis, verminderd met:
    - het aantal wettelijke en bovenwettelijke vakantie-uren volgens artikel 38
    - het aantal uren dat de werknemer in dat jaar aan extra verlofrechten opbouwt volgens artikel 38.2 en 40.
    - het aantal uren (vervangende) feestdagen vallend op een doordeweekse dag, volgens artikel 16 en 19.7,
    - het aantal uren wettelijk verlof t.g.v. toepassing van de Wet Arbeid en Zorg,
    - het aantal uren arbeidsongeschiktheid, lid 4 is hierbij van toepassing,
    - het aantal uren als gevolg van meerwerk volgens artikel 17,
    - het aantal uren als gevolg van overwerk volgens artikel 18.
  6. Het gewerkte aantal arbeidsuren wordt (achteraf) berekend over het seizoen, waarbij een seizoen start op 1 september en duurt tot en met 31 augustus van het daaropvolgende jaar. In overleg met de OR/PVT kan ervoor gekozen worden de periode 1 januari tot en met 31 december te kiezen. Daarbij worden tevens afspraken gemaakt over de data als verwoord in lid 7 en lid 9 van dit artikel, alsook afspraken over het personeelsplan, artikel 4 lid 1, periode zondagsarbeid, artikel 15, vaststellen onregelmatigheidstoeslag artikel 23 lid 6, tijdvak vakantiejaar, artikel 38 lid 1, tijdvak sparen levensloop, artikel 49 lid 2.
  7. Bij overschrijding van het aantal arbeidsuren op jaarbasis maakt de werkgever met de werknemer een afspraak, zijnde:
    - compensatie in tijd op korte termijn,
    - uitbetaling, waarbij één uur gelijk staat aan de kosten van één arbeidsuur op 1 september van de start van het seizoen waarop het uur betrekking heeft,
    - een combinatie van bovengenoemde mogelijkheden.
  8. Indien de afspraak uitbetalen wordt gemaakt dan bouwt de werknemer, zoals verwoord in artikel 38 lid 3, over die uren vakantie-uren en vakantietoeslag op.
  9. Bij een te weinig gewerkt aantal arbeidsuren op jaarbasis heeft de werkgever recht op compensatie in tijd. Deze minuren moeten vóór 1 november respectievelijk vóór 1 maart van het hierop aansluitende seizoen zijn gecompenseerd. Daarna bestaat er voor de werkgever geen recht meer op compensatie en vervalt het restant minuren van het vorige seizoen.
  10. De werknemer met een omvang van het dienstverband van minimaal 80%, kan éénmalig gedurende zijn dienstverband ervoor kiezen om zijn recuperatie (herstel) mogelijkheden tussen zijn werkzaamheden te verhogen door zijn inzetbaarheid te verlagen naar 80% van de overeengekomen arbeidsduur, tegen 90% van het salaris en 100% van de pensioenvoorziening (conform artikel 43), mits de werknemer:
    - een arbeidsverleden heeft van ten minste vijf jaren bij de werkgever én
    - minder dan 10 jaren van zijn AOW-datum is verwijderd.
  1. De omvang van het nieuwe arbeidscontract is de omvang die van toepassing is op deze cao bij alle naar rato beginselen, behoudens de in dit artikel genoemde salaris en pensioen.
  2. De rechten op basis van artikel 38 lid 2, de meer vakantie-uren en lid 3, zijn niet langer van toepassing indien men van dit artikel gebruik maakt.
  3. Artikel 46, verbod tenzij toestemming nevenwerkzaamheden door werkgever, is van toepassing ongeacht de omvang van het dienstverband.
  4. De vrijgekomen recuperatietijd zal zoveel mogelijk aaneengesloten worden opgenomen zodat er sprake is van herkenbare recuperatietijd. Werkgever en werknemer kunnen in onderling overleg hiervan afwijken.

10. Arbeids- en rusttijden

  1. Ten aanzien van de rust- en arbeidstijden geldt dat de Arbeidstijden Wet (ATW) van toepassing is op alle werkzaamheden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden op het terrein van de theatertechniek is daarnaast artikel 5.16 van het Arbeidstijden Besluit van toepassing.
  2. De werknemer heeft het recht om buiten de overeengekomen werktijden onbereikbaar te zijn voor werkgerelateerde communicatie vanuit de werkgever. Zowel de werkgever als de werknemer zorgen samen voor het vaststellen van duidelijke afspraken over dit recht op onbereikbaarheid.

11. Reguliere werktijden

  1. Voor de werknemer werkzaam in de theatertechniek wordt een dienst van 10 uur als regulier gezien. Een dienst omvat ten minste 3 uur. Indien de werknemer bij inwerkingtreden van de cao recht heeft op een dienst van ten minste 4 uur behoudt hij dit recht gedurende de verdere duur van zijn dienstverband bij dezelfde werkgever.
  2. Voor werknemers met een arbeidsovereenkomst van minimaal 15 uur/week en werkzaam bij het bespreekbureau die met hun werkgever zijn overeengekomen dat een dienst twee uur of minder kan duren, geldt dat een dienst minimaal twee uur duurt.
  3. Voor werknemers met een arbeidsovereenkomst van minimaal 15 uur/week, met een in het contract opgenomen gegarandeerd minimum en/of maximum aantal uren geldt dat een dienst minimaal drie uur duurt.

12. Vaststelling werktijden roosters

  1. Een rooster beslaat een periode van twee weken.
    - Werknemers die werken op basis van een rooster zijn vier weken voor het ingaan van het rooster bekend met de dagen waarop ze ingeroosterd kunnen worden.
    - Twee weken voor het ingaan van het rooster zijn de dagdelen bekend waarop de werknemer wordt ingeroosterd.
    Uiterlijk 3 dagen voorafgaand aan de nieuwe werkweek deelt de werkgever aan de werknemer de begintijden en de eindtijden mee.
  2. Wijzigingen van het rooster binnen vier dagen voor de betreffende werkdag kunnen alleen in overeenstemming met de werknemer worden doorgevoerd.
  3. Indien een dienst minder dan 24 uur van tevoren wordt geannuleerd heeft de werknemer recht op vervangend werk van vergelijkbare aard of vrije tijd voor rekening van de werknemer.
  4. Werknemers die minder dan 10 jaar van de AOW-leeftijd zijn verwijderd, worden uitsluitend op basis van vrijwilligheid ingezet tussen 01:00 en 07:00 uur.

13. Gebroken diensten

  1. Indien een dienst wordt onderbroken voor de duur van 3 uur of meer, is sprake van een gebroken dienst.
  2. De werkgever mag een werknemer per dag maximaal 1 gebroken dienst opdragen en per week maximaal 2 gebroken diensten.

14. Pauzeregeling

  1. De duur van de totale pauzetijd is ten minste:
    - 30 minuten bij diensten langer dan 5,5 uur (respectievelijk 4,5 uur voor werknemers jonger dan 18 jaar) doch niet langer dan 8 uur;
    - 45 minuten bij diensten langer dan 8, doch niet meer dan 10 uur;
    - 60 minuten bij diensten van meer dan 10 uur.
  2. De werkgever kan met instemming van de OR/PVT een pauzeregeling vaststellen, waarin het totaal van de pauzetijd uitgaat boven de in lid 1 genoemde minimumpauzetijden, waarbij de maximumduur van een lunchpauze 1 uur kan bedragen en de maximumduur van een dinerpauze 3 uur.
  3. Pauzes worden niet tot de arbeidsduur gerekend: gedurende de pauze bestaat geen recht op loondoorbetaling.
  4. Indien bij calamiteiten de werknemer tijdens de pauze op verzoek van de werkgever werkzaamheden moet verrichten zal de pauzetijd worden verschoven. Indien dit niet mogelijk is wordt de pauzetijd als overwerk aangemerkt.
  5. Koffie- en theepauzes, niet zijnde rookpauzes, van maximaal 15 minuten worden gerekend als arbeidstijd: gedurende deze pauzes bestaat recht op loondoorbetaling.

15. Zondagsarbeid

  1. De werkgever zal het werk zo organiseren dat de werknemer ten minste 13 vrije weekenden per 52 weken zal hebben, waarvan minimaal drie per periode van 13 weken, gerekend vanaf het begin van het seizoen. Daarbij mag één van de drie weekenden per 13 weken op een zondag plus een maandag vallen.

16. Feestdagen

  1. Onder feestdagen worden verstaan Nieuwjaarsdag, 1e en 2e Paasdag, Koningsdag of de dag waarop deze dag wordt gevierd, Hemelvaartsdag, eerste en tweede Pinksterdag, eerste en tweede kerstdag en 5 mei in lustrumjaren. Indien een feestdag valt op een doordeweekse dag dan wordt deze dag in mindering gebracht op het totaal van het aantal te werken uren op jaarbasis zoals zoals vermeld in artikel 9.5.
  2. De werkgever zal het werk zo organiseren dat de werknemer ten minste 3 feestdagen per jaar vrij zal hebben. Zie artikel 9 lid 5.
  3. Werknemers die op grond van hun geloof andere feestdagen hebben, kunnen deze dagen als zodanig aanmerken tot een maximumaantal als in lid 1 is vastgesteld en deze dagen omruilen voor de dagen opgenomen in lid 1.

17. Meerwerk

  1. Van meerwerk is sprake wanneer werkgever en werknemer overeenkomen dat de werknemer op vrijwillige basis de ingeroosterde werktijd, artikel 12, overschrijdt. Meerwerk wordt in mindering gebracht op het aantal te werken arbeidsuren op jaarbasis.

18. Overwerk

  1. De werknemer is verplicht incidenteel in opdracht van de werkgever overwerk te verrichten, voor zover dit redelijkerwijs van werknemer kan worden verwacht.
  2. Aan werknemers van vijftig jaar of ouder kan overwerk niet worden opgelegd.
  3. De vergoedingen voor overwerk worden geregeld in artikel 25. Overwerkuren tellen mee in het aantal te werken arbeidsuren op jaarbasis.
  4. Wanneer onvoorziene uitloop van werkzaamheden plaatsvindt (zoals een voorstelling), waarbij deze uitloop vooraf niet als geplande arbeidstijd in het werktijdenrooster (artikel 12) is opgenomen, dan valt dit onder overwerk.