d. Salaris, toeslagen en vergoedingen

19. Salaris
1. Werknemers ontvangen een salaris per kalendermaand, vastgesteld volgens de bepalingen van de Uitvoeringsregeling Salariëring en de daarbij behorende salaristabellen en het Functieboek als neergelegd in bijlagen1, 5 en de Functieboek bijlagen, allen behorende tot deze cao.
2. Werkgever en werknemer kunnen overeenkomen dat aan de werknemer een markttoeslag of bonusregeling wordt toegekend. De werkgever dient de inhoud van deze regeling te melden aan de OR/PVT.
3. Werknemers met een arbeidsovereenkomst ten gevolge van een oproep, op basis van artikel 7, jonger dan 21 jaar ontvangen een uurloon, overeenkomend met het minimumjeugdloon, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en de eindejaarsuitkering artikel 20. De vakantie-uren worden uitbetaald, door het uurloon met het berekende bedrag te verhogen. Vanaf 21 jaar en ouder worden deze werknemers ingeschaald conform de functie-indeling en het functiegebouw (bijlagen Functieboek in deze c) en ontvangen een uurloon op basis van de hierbij behorende salarisschalen, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en de eindejaarsuitkering conform artikel 20. De vakantie-uren worden uitbetaald, door het uurloon met het berekende bedrag te verhogen.
4. De werknemer dient uiterlijk twee dagen voor het einde van de maand over zijn salaris en vaste toeslagen te kunnen beschikken. De werknemer dient uiterlijk in de maand, volgend op het ontstaan van een aanspraak op een incidentele toeslag op het salaris over deze toeslag te kunnen beschikken.
5. Wijzigingen van het salaris ten gevolge van veranderingen in de omvang van de overeengekomen aantal arbeidsuren per jaar gaan in op de dag, waarop de veranderingen plaatsvinden.
6. Geen salaris is verschuldigd over de tijd gedurende welke de werknemer in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn werkzaamheden te verrichten. Indien dit leidt tot inhouding van het salaris wordt dit de werknemer vooraf schriftelijk en gemotiveerd meegedeeld.
7. Indien een feestdag valt op een doordeweekse dag heeft de werknemer recht op loondoorbetaling. Hierbij is een feestdag gelijk aan 7,2 uur naar rato dienstverband. Indien de werknemer een arbeidscontract heeft met vaste werkdagen en werktijden dan is het aantal uur gelijk aan het aantal te werken arbeidsuren op de betreffende dag. Tijdens een verlofdag heeft de werknemer recht op loondoorbetaling, inclusief het gemiddelde van de structurele toeslagen en eindejaarsuitkering, waarvoor geldt een referte van 12 maanden.
8. Werkgevers en werknemers zijn verplicht deel te nemen aan en kunnen aanspraak maken op de voorzieningen van het Sociaal Fonds Nederlandse Podia. Aan de financiering van dit fonds wordt door Werkgevers en Werknemers bijgedragen volgens de door sociale partners als volgt vastgestelde premie: - werkgever: 0,1% van het SV-loon-werknemer: 0,1% van het SV-loon. Vanaf 1 januari 2026 wordt de totale premie vastgesteld op 0,4% van het SV-loon. Hiervan neemt de werkgever 0,25% voor zijn rekening en de werknemer 0,15%. Het Loopbaanontwikkelingsfonds (LOF) Podiumkunsten zal jaarlijks de totale premie bij Werkgevers innen en aan het Sociaal Fonds afdragen. Werkgevers zijn gehouden de gegevens te verstrekken die het mogelijk maken de premie te berekenen. Jaarlijks kan onder overlegging van de jaarloonstaat februari de verschuldigde premie vastgesteld worden.
9. Indien een ZZP’er wordt ingezet voor een onder deze cao vallende functie in verband met incidenteel voorkomende werkzaamheden en/of werkzaamheden voor zeer korte duur en/of werkzaamheden waarvoor bijzondere competenties zijn vereist en waarbij de werksituatie (nagenoeg) gelijk is (of in hoge mate overeenkomt) met die van een werknemer, vormt het loonfunctiegebouw van deze cao het vertrekpunt van de onderhandelingen de honorering. Dat betekent dat het (uur)tarief (zie definities artikel 1) dat wordt afgesproken minimaal overeenkomt met het bij de functie horende salarisniveau, verhoogd met ten minste 60%.
10. Per 1 juli 2025 stijgen de salarissen met 3%. Per 1 januari 2026 stijgen de salarissen met 2% en per 1 november 2026 met nog eens 1%.

20. Eindejaarsuitkering

  1. De werknemer heeft recht op een eindejaarsuitkering. De uitkering is een percentage van het voor de individuele werknemer geldende jaarsalaris exclusief vergoedingen en toeslagen, inclusief vakantietoeslag. Indien het dienstverband niet het volledige kalenderjaar heeft geduurd, wordt de eindejaarsuitkering berekend over de periode waarin de werknemer in het kalenderjaar in dienst was. Daarbij wordt als eerste de te verrekenen vakantietoeslag vastgesteld en vervolgens de eindejaarsuitkering. De eindejaarsuitkering wordt uitbetaald in december of bij einde dienstverband.
  2. De eindejaarsuitkering bedraagt 1,65%.
  3. De werknemer die lid is van de Kunstenbond en gebruik maakt van de fiscale uitruil van de vakbondscontributie zoals verwoord in artikel 45, heeft met ingang van 2021 recht op een toeslag van 0,5% gebaseerd op het geldende jaarsalaris exclusief vergoedingen en toeslagen, inclusief vakantietoeslag. Deze toeslag valt niet onder het begrip eindejaarsuitkering zoals vastgelegd in lid 1 en wordt niet meegenomen in de berekening van de vakantietoeslag. Indien het dienstverband niet het volledige kalenderjaar heeft geduurd, wordt de uitkering berekend over de periode waarin de werknemer in het kalenderjaar in dienst was.

21. Vakantietoeslag

  1. Het vakantietoeslagjaar loopt van 1 juni van ieder kalenderjaar tot en met 31 mei van het hierop volgende kalenderjaar.
  2. De werknemer heeft tijdens het dienstverband met de werkgever, aanspraak op een vakantietoeslag van 8% van zijn genoten salaris, gedurende de periode volgens lid 1, inclusief de structurele eindejaarsuitkering en de structurele toeslagen alsmede de uitkering van een krachtens de Ziektewet (ZW), en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, met dien verstande dat de aanspraak op vakantietoeslag over een uitkering krachtens de WIA vervalt na afloop van de eerste 12 maanden van deze uitkering, ook als het dienstverband voortduurt.
  3. Als de werknemer op grond van zijn dienstverband met de werkgever aanspraak heeft op een uitkering van vakantietoeslag krachtens de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA), ZW of NWW, dan wordt dit bedrag in mindering gebracht op de vakantietoeslag.
  4. Uiterlijk in de maand mei wordt de in het voorafgaande vakantietoeslagjaar opgebouwde vakantietoeslag aan de werknemer uitbetaald.

22. Tijdelijke waarneming
1. De werknemer die tijdelijk een functie waarneemt, die hoger is ingedeeld dan zijn eigen functie, blijft ingedeeld in het functieniveau en de salarisschaal die met zijn eigen functie overeenkomen. Als de tijdelijke waarneming ten minste een maand heeft geduurd, ontvangt de werknemer een toeslag. Deze toeslag wordt vastgesteld op 5% van het huidige maandsalaris exclusief vakantietoeslag, inclusief het gemiddelde van structurele toeslagen, waarvoor geldt een referte van 6 maanden, indien deze toeslagen vervallen door de waarneming. Bij gedeeltelijke vervanging en bij combifuncties geldt de toeslag voor het deel van de functie dat wordt vervangen.
2. Deze toeslag wordt niet toegekend aan de werknemer:
- als bij de indeling van zijn functie het eventueel waarnemen van een hogere functie reeds expliciet is omschreven en onderdeel uitmaakt van de waardering van de functie;
- als de werknemer een persoonlijke toeslag geniet omdat hij in functie is teruggetreden.

23. Onregelmatigheidstoeslag
1. De werknemer, die een evenement gebonden functie heeft, ontvangt een maandelijks uit te keren onregelmatigheidstoeslag op het salaris ter compensatie van werken op onregelmatige tijden, zoals gedefinieerd in dit artikel. De hoogte van de toeslag hangt samen met de functiegroep van de werknemer en met het aantal uren dat de werknemer onregelmatig werk verricht.
2. De werknemer, met een niet-evenement gebonden functie, die meer dan 10% van zijn werktijd besteedt aan het uitvoeren van regiediensten, valt onder de regels van onregelmatigheidstoeslag.
3. De indeling in functiegroepen is als volgt:
- werknemers met werkzaamheden in de podiumtechniek;
- werknemers met werkzaamheden in de horeca of facilitair bedrijf;
- werknemers in bespreekbureau en overige werkzaamheden.
4. De indeling in categorieën is als volgt:
- de werknemer die als regel meer dan 5% en minder dan 45% van de met hem overeengekomen arbeidsuren per jaar op onregelmatige tijden werkt (avonden en weekends), ontvangt een toeslag op het salaris, conform categorie A).
- de werknemer die als regel meer dan 45 % van en minder dan 55% van de met hem overeengekomen arbeidsuren per jaar op onregelmatige tijden werkt (avonden en weekends) ontvangt een toeslag op het salaris conform categorie B.
- de werknemer die als regel meer dan 55% van de met hem overeengekomen arbeidsuren per jaar op onregelmatige tijden werkt (avonden en weekends) ontvangt een toeslag op het salaris conform categorie C.

Categorie (lid 3) →
↓ Functiegroep (lid 2)
5%-45%
Categorie A
45%-55%
Categorie B
>55%
Categorie C
Podiumtechniek8%10%12%
Horeca en facilitair bedrijf5,2%6,7%8%
Bespreekbureau en overige werkzaamheden2,6%3,3%4%

5. Onder werk op onregelmatige tijden wordt verstaan: de gewerkte uren op maandag t/m vrijdag voor 06.00 uur en na 18.00 uur, alsmede de gewerkte uren in de weekends en op feestdagen.
6. a. De categorie en hoogte van de onregelmatigheidstoeslag wordt vastgesteld bij aanvang van het seizoen.
b. Bij werknemers die vanwege indiensttreding of functiewijziging voor het eerst recht hebben op onregelmatigheidstoeslag, wordt deze toeslag vooraf ingeschat. Deze inschatting wordt na drie maanden geëvalueerd en zo nodig bijgesteld naar de criteria van lid 4 van dit artikel.
7. Werknemers in schaal 7 of hoger hebben geen recht op onregelmatigheidstoeslag.
8. Werknemers met een arbeidsovereenkomst ten gevolge van een oproep, op basis van artikel 7 hebben geen recht op onregelmatigheidstoeslag.

24. Garantieregeling onregelmatigheidstoeslag
1. De werknemer die buiten zijn schuld geen onregelmatige diensten meer vervult en hierdoor blijvend een aanzienlijke vermindering van inkomsten heeft door het verminderen of beëindigen van de ORT, ontvangt een garantietoelage. Een garantietoelage komt aan de orde als het wegvallen of verminderen van de ORT wordt veroorzaakt door
- reorganisatie;
- overgang naar een andere functie, wegens opheffing van de functie.
De werkgever kan in andere uitzonderlijke situaties waarin de oorzaak voor het wegvallen of verminderen van de ORT is gelegen in factoren die niet door de werknemer zelf kunnen worden beïnvloed, eveneens de garantietoelage toekennen. Hierbij wordt in ogenschouw genomen of de werknemer uitsluitend geen avond/nachtdiensten of ook geen dagdiensten in het weekend meer kan/mag werken.
2. De regeling geldt voor de werknemer, die:
- ten minste twee jaar direct voorafgaande aan de bovenbedoelde beëindiging of vermindering van de ORT zonder onderbreking ORT heeft ontvangen, en
- in verband met het geheel of gedeeltelijk wegvallen van de ORT blijvend minder inkomsten heeft, mits deze vermindering van inkomsten ten minste 3% van het maandinkomen exclusief de ORT bedraagt.
3. De garantietoelage bedraagt:
- 75% in het eerste jaar na het geheel of gedeeltelijk vervallen van de ORT;
- 50% in het tweede jaar;
- 25% in het derde jaar.
4. Voor werknemers van 55 jaar of ouder, die ten minste 10 jaar voorafgaande aan de in lid 1 bedoelde beëindiging of vermindering van ORT, zonder onderbreking ORT hebben ontvangen, geldt dat de garantietoelage niet lager kan worden dan de percentages, die in artikel 23 lid 4 onder categorie A zijn genoemd.

25. Overwerktoeslag
1. In geval van overwerk heeft de werknemer recht op een toeslag op het salaris. De hoogte van de toeslag is afhankelijk van de lengte van de dienst en het tijdstip waarop de dienst eindigt. Voor overwerk op feestdagen geldt een aparte regeling. De toeslag bedraagt per uur overwerk:

Dienst:Eindigt voor of om 02.00 uur|Eindigt na 02.00 uur|Feestdagen
10 uur of korter..+ 25%.. + 50%.. + 75%
langer dan 10 uur..+ 50%.. + 75%.. + 100%

2. Voor het eerste half uur overwerk wordt geen toeslag toegekend. Daarna geldt de achter lid 1 genoemde toeslag.
3. Overwerkuren tellen mee in het aantal te werken arbeidsuren op jaarbasis zoals verwoord in artikel 9.
4. Werknemers in schaal 7 of hoger hebben geen recht op overwerktoeslag.

26. Dienstreizen
1. Onder reistijd in het kader van de uitoefening van de functie wordt verstaan de tijd die de werknemer reist vanaf de woning of vanaf de plaats van tewerkstelling of, indien van toepassing, de hoofdstandplaats van de werknemer naar een zakelijke bestemming elders en vice versa, vermeerderd met de eventuele reistijd van de ene zakelijke bestemming naar de andere zakelijke bestemming.
2. Reistijd in het kader van de uitoefening van de functie wordt beschouwd als arbeidstijd, met inachtneming van het hieromtrent bepaalde in artikel 36.
3. Indien gebruik wordt gemaakt van het openbaar vervoer, bedraagt de totale reistijd, de reisduur volgens de dienstregeling van het snelste openbaar vervoermiddel.
4. Indien gebruik wordt gemaakt van vervoer verstrekt door de werkgever, dan wel van eigen vervoer na instemming van de werkgever, stellen werkgever en werknemer in onderling overleg de duur van de totale reistijd vast, plaatselijke omstandigheden in aanmerking genomen.
5. Indien niet met het openbaar vervoer kan worden gereisd, en de werknemer geen gebruik kan maken van vervoer verstrekt door de werkgever en gebruik wordt gemaakt van de privéauto van de werknemer, wordt door de werkgever aan de werknemer een belastingvrije kilometervergoeding verstrekt die gelijk is aan het fiscale maximum (€ 0,19 per kilometer met ingang van 1 januari 2006). Deze vergoeding dient ter dekking van alle autokosten.
6. Het in dit artikel bepaalde geldt voor reizen binnen Nederland. Voor reizen naar en in het buitenland maakt de werkgever met de werknemer afzonderlijke afspraken.

27. Verblijfkosten en overige kosten
1. Indien werknemer werkzaamheden buiten de gebruikelijke arbeidsplaats verricht, is werknemer gerechtigd na toestemming van de werkgever kosten van drankjes en maaltijden onderweg te declareren. Maximaal kan voor drankjes, voor lunches en voor diners een bedrag worden besteed dat overeenkomt binnen het fiscaal vrijgestelde normbedrag, zoals opgenomen in bijlage 6 van deze cao.
2. Vergoeding van de gemaakte kosten kan uitsluitend geschieden tegen overlegging van een rekening.
3. In bijzondere gevallen bij uitloop van de werkzaamheden heeft de werknemer recht op een overblijfmaaltijd, te verstrekken door de werkgever. De regels hiervoor worden in overleg met de OR/PVT opgesteld.
4. Overige door de werknemer te maken kosten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van zijn functie en die door of vanwege de werkgever zijn geaccordeerd en die krachtens de fiscale regelgeving op declaratiebasis kunnen worden vergoed, zullen worden vergoed tegen overlegging van een rekening.

28. Maaltijd(vergoeding)
1. De Werkgever verstrekt een gevarieerde, gezonde en voldoende voedzame warme maaltijd, indien minder dan 1,5 uur pauze kan worden genoten in de periode tussen 17.00 en 19.30 uur voor de werknemer die uiterlijk om 15.00 uur gestart is en tot ten minste 19.30 uur werkt en minimaal 7 uur staat ingeroosterd.
2. Indien de Werkgever niet in staat is om de maaltijd te verstrekken, ontvangt de werknemer in de in lid 1 geformuleerde situatie na overlegging van een declaratie een vergoeding van maximaal het bedrag vermeld in bijlage 6. De bedragen worden vanaf 2024 jaarlijks op 1 januari geïndexeerd ter hoogte van de stijging van de afgeleide CPI-index van het voorgaand kalenderjaar.

29. Woonplaats en vergoeding verhuiskosten
1. Werkgever kan ten aanzien van specifieke functies bepalen dat de werknemer die deze functie vervult, binnen een straal van plusminus 10 kilometer van de arbeidsplaats dient te wonen indien het specifieke karakter van de functie dat volgens de werkgever wenselijk maakt en indien de werknemer een functie heeft waarin hij moet optreden in geval van calamiteiten. De werkgever dient dit kenbaar te maken bij de openstelling van de functie.
2. Indien werknemer om aan deze voorwaarde te voldoen, moet verhuizen zal de werkgever aan werknemer, die een eigen huishouding voert, een vergoeding betalen tot maximaal het fiscaal toegestane bruto percentage van het jaarsalaris (12%), met een maximum van € 5.445 bruto. Daarnaast worden de kosten van het overbrengen van de boedel vergoed.
Voor de werknemer die op het moment van zijn aanstelling geen eigen huishouden voert, geldt een percentage van 6%. Tot aan het moment van verhuizen zal de werkgever de reiskosten voor woon-werkverkeer vergoeden op basis van openbaar vervoer tweede klasse. Op tijden en in situaties dat de werknemer geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer vergoedt de werkgever de autokosten voor een bedrag van € 0,12 per kilometer.
3. De eventuele verhuizing dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden, doch uiterlijk binnen 2 jaar na datum van indiensttreding, bij gebreke waarvan de eventueel overeengekomen reiskostenvergoeding woon- werkverkeer komt te vervallen en geen tegemoetkoming in de verhuiskosten wordt verstrekt.
4. Indien de werknemer binnen een periode van 12 maanden na ontvangst van de verhuiskostenvergoeding op eigen initiatief het dienstverband met werkgever beëindigt, dient hij 75% van de ontvangen vergoeding aan werkgever terug te betalen.
Indien de werknemer het dienstverband op eigen initiatief binnen een periode van 12 – 24 maanden na ontvangst van de verhuiskostenvergoeding beëindigt, dient hij 50% van de ontvangen vergoeding terug te betalen

30. Tegemoetkoming woon-werkverkeer
1. De werknemer ontvangt voor de tegemoetkoming van zijn reiskosten woon-werkverkeer een tegemoetkoming ter hoogte van het fiscale maximum per kilometer vanaf 10 km enkele reis tot een maximum van 50 km enkele reis. Vanaf 1 januari 2026 wordt de tegemoetkoming berekend vanaf 9 km enkele reis, en vanaf 1 januari 2027 wordt deze afstand verder aangepast naar 8 km enkele reis. Een voor 2024 bestaande reiskostenregeling woon-werkverkeer, overeengekomen met werknemers en/of ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging vervalt, tenzij deze positief afwijkt. Indien op het moment van toetreding tot de CAO Nederlandse Podia een regeling voor woon-werkverkeer van kracht is, blijft deze gehandhaafd.

31. Vergoeding dienstkleding
1. Werkgever zal aan werknemer bepaalde dienstkleding, veiligheidsschoenen en andere veiligheidsmiddelen ter beschikking stellen in verband met de uitoefening van de functie, indien wettelijke bepalingen deze voorschrijven. Werknemer is gehouden tot het dragen/gebruiken hiervan tijdens werktijd. Hij levert deze op eerste verzoek van werkgever bij werkgever in.
2. Over het schoonhouden en onderhoud van de verstrekte middelen maken werkgever en OR/PVT op lokaal niveau afspraken.

32. Jubileumgratificatie

  1. De werknemer die gedurende 25 of 40 jaar een onafgebroken dienstbetrekking bij werkgever heeft vervuld, zal een jubileumgratificatie worden toegekend. Dienstjaren doorgebracht bij de onder deze cao vallende werkgevers en hun rechtsvoorgangers worden hierbij meegeteld.
  2. De gratificatie wordt gebaseerd op het maandsalaris, inclusief vakantietoeslag en onregelmatigheidstoeslag van die maand, waarop recht bestaat op moment van recht op de gratificatie. Uitbetaling vindt plaats in de maand van het jubileum. De gratificatie bedraagt bij 25 jaar 100% en bij 40 jaar 150% over het maandsalaris, netto uitgekeerd. Indien de gratificatie fiscaal belast dient te worden, wordt de gratificatie bruto uitgekeerd.

33a. Duurzame inzetbaarheid

  1. Werkgever en werknemer kunnen afspraken maken in het kader van duurzame inzetbaarheid waarbij de werkzaamheden worden aangepast aan de fysieke en mentale mogelijkheden, privéomstandigheden, competenties en draagkracht van de werknemer. Het initiatief hiertoe kan bij zowel werkgever als werknemer liggen. Met instemming van de werknemer en werkgever kan voor passende arbeid, arbeidstijden en arbeidsomstandigheden in de plaats van de huidige arbeid worden gekozen. Partijen maken in dat geval schriftelijke afspraken over de eventuele financiële gevolgen zoals de toepasselijke salarisschaal, en gevolgen voor andere arbeidsvoorwaarden.
  2. Werkgever en werknemer hebben bij gebruik van dit artikel de ruimte om van het standaard karakter van deze cao af te wijken en afwijkende afspraken te maken ten aanzien van:
    a.
    gebroken diensten, artikel 13 lid 2;
    b.
    salaris in relatie tot de functie-indeling, artikel 19 lid 1;
    c.
    hoogte van de pensioenvoorziening tot 100% handhaven van het oorspronkelijke salaris, mits het moment van ingang van de afspraak minder dan 10 jaar voor de AOW-gerechtigde leeftijd ligt, artikel 43;
    d.
    hoogte van de onregelmatigheidstoeslag, artikel 23 lid 4;
    e.
    garantieregeling onregelmatigheidstoeslag, artikel 24;
    f.
    grondslag van de jubileumgratificatie (rekening houdend met fiscale mogelijkheden), artikel 32 lid 2; g. beëindiging vergoedingen, artikel 37 lid 2;
    h.
    vakantie-uren op basis van dienstjaren, artikel 38 lid 2.

  3. Bij gebruikmaking van de mogelijkheden van lid 1 en 2 van dit artikel maken partijen afspraken over de periode over welke zij deze afwijkingen ten aanzien van de cao overeenkomen.
  4. Bij gebruikmaking van dit artikel vervalt het recht op het gebruik door de werknemer van artikel 9 lid 10 (de 80-90-100 regeling) en geldt er, in tegenstelling hetgeen vermeld staat in artikel 46, een verbod op nevenwerkzaamheden ongeacht de omvang van het dienstverband, tenzij de werkgever een of beide van deze bepaling alsnog van toepassing verklaart.
  5. In het kader van een vertrekregeling kunnen werknemer en werkgever als afspraken maken over deelname aan de RVU-regeling. De werkgever voorziet de werknemer van een financieel overzicht van de hoogte van de RVU-regeling en de gevolgen voor het ouderdomspensioen.

33b. Prestatiebeloning boven schaalmaximum

  1. De werknemer tot functieschaal 7, die zich minimaal vier jaar in het maximum van zijn schaal bevindt en die uitzonderlijke individuele prestaties en inzet levert, anders dan omschreven en volgend uit zijn functiebeschrijving, kan de werkgever boven het schaalmaximum belonen. Het verzoek tot een dergelijke afspraak kan van beide partijen uitgaan, maar kan enkel in onderling overleg worden overeengekomen. Het maken van dergelijke afspraken is aan de volgende voorwaarden gebonden:
    a.
    De uitzonderlijke prestaties en daaraan wederzijds gekoppelde verwachtingen en verplichtingen voor een jaar moeten jaarlijks vóóraf schriftelijk toetsbaar (SMART) vastgelegd worden. Bij het behalen van de vastgelegde resultaten ontvangt de werknemer vanaf de overeengekomen ingangsdatum voor de duur van één jaar het vooraf overeengekomen percentage boven op zijn salaris.
    b.
    De gevolgen voor het salaris wanneer de afspraken worden behaald worden vastgelegd in een percentage. Hierbij geldt een maximumsalarisstijging ten opzichte van de salarisschaal van de werknemer van 2% per jaar. In totaal kan een werknemer in opvolgende jaren een totaal maximumsalaris van 10% boven het maximum van zijn salarisschaal bereiken.
    c
    . Bij gebruikmaking van dit artikel in enig jaar dient, om in een opvolgend jaar wederom gebruik te maken van de mogelijkheden van dit artikel, voorafgaand aan het volgende jaar tijdig overleg gevoerd te worden conform lid 1 sub a en b. Dit is ook van toepassing indien de resultaatafspraken en de daarbij behorende salarisgevolgen uit het voorgaande jaar gecontinueerd worden. Indien er geen tijdig overleg heeft plaatsgevonden
    blijven de gemaakte afspraken van kracht. Voor een volgende stap kunnen werkgever en werknemer (zo nodig aanvullende) afspraken maken.
    d.
    Als de werknemer, die in enig jaar beloond is boven het schaalmaximum, de uitzonderlijke prestaties, verwachtingen en verplichtingen, als bedoeld in lid 1 sub a en c, niet (meer) waarmaakt kan de werkgever het salarisdeel dat boven het schaalmaximum is toegekend, terugbrengen of laten vervallen. De werknemer kan in tijd en salaris niet sneller terugvallen dan dat de opbouw plaatsvond.
    e.
    Bij het op enig moment gebruik maken van lid 1 van dit artikel vervalt het recht op gebruik van lid 2 van dit artikel.
  2. Aan de werknemer die vijf kalenderjaren aan de top van zijn schaal zit en als gevolg daarvan geen periodiek(en) meer heeft ontvangen, wordt, indien hij een beoordeling goed of uitmuntend heeft bij het beoordelingsgesprek in het vijfde jaar, eenmalig een gratificatie toegekend van € 212 netto (dit bedrag is met de structureel procentuele loonsverhoging, verwoord in artikel 19, opgehoogd). De gratificatie wordt uitgekeerd in januari volgend op de vijf kalenderjaren waarin de top van de schaal is bereikt. In het geval van een beoordelingsresultaat matig, zal geen gratificatie worden toegekend. De werknemer heeft recht op een eenmalige herkansing van de beoordeling na zes maanden. Deze gratificatie is eenmalig en wordt niet herhaald na een nieuwe periode van vijf jaar.

33c. Opleidingsbudget

  1. Ten behoeve van beroepsgerichte opleidingen of trainingen van de werkzame werknemers wordt jaarlijks per werkgever een budget van 1% van de loonsom begroot. De besteding van het opleidingsbudget komt in overleg met de OR/PVT tot stand.

34. Overlijdensuitkering

  1. In geval van overlijden van werknemer, zal werkgever aan de nagelaten betrekkingen van werknemer het maandsalaris dat werknemer laatstelijk toekwam uitbetalen over de maand van overlijden en aanvullend twee maandsalarissen inclusief alle toeslagen als van toepassing op moment van overlijden.
  2. Onder nagelaten betrekkingen wordt verstaan de langstlevende der echtgenoten van wie de werknemer niet duurzaam gescheiden leefde, dan wel degene met wie de werknemer ongehuwd samenleefde, bij ontstentenis van deze de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen en bij ontstentenis van dezen degene met wie de werknemer in gezinsverband leefde en in wiens kosten van bestaan hij grotendeels voorzag.

35. Opleidingen, studieverlof en studiekostenregeling

  1. De werknemer heeft het recht in overleg met zijn leidinggevende een persoonlijk ontwikkelingsplan te maken. In het plan worden de mogelijkheden en de wensen voor een verdere loopbaanontwikkeling van de werknemer vastgelegd alsmede de daarop aansluitende leer- en ontwikkelingsactiviteiten.
  2. Werkgever kan een werknemer voorschrijven deel te nemen aan functie- en inzetbaarheids- (employability) gerelateerde opleidingsactiviteiten, indien deze redelijkerwijs en rekening houdend met zijn persoonlijkheid en omstandigheden kunnen worden opgedragen. Werknemer heeft in geval van voorgeschreven opleidingsactiviteiten recht op studieverlof met loondoorbetaling. Werkgever vergoedt volledig de kosten van opleidingen die de werkgever in het belang van de functie noodzakelijk acht. Daarnaast komen in aanmerking de kosten voor examengelden en de reis- en verblijfskosten op basis van 2e klas openbaar vervoer. Een opleidingsdag is maximaal gelijk aan een werkdag van 7,2 uur.
  3. Werkgever zal 50% van de kosten tot een maximum van € 5.000 (naar rato dienstverband) vergoeden van niet voorgeschreven, in het opleidingsplan opgenomen opleidingen of scholingsactiviteiten die bijdragen aan de inzetbaarheid van de werknemer op termijn of van belang zijn voor de loopbaanontwikkeling van de werknemer. Voor zover de scholing meer uren in beslag neemt dan het saldo van het aantal verlofuren in enig seizoen, kan de werkgever (op verzoek van de werknemer) besluiten de werknemer extra verlofuren toe te kennen.
  4. Werknemer zal 100% van de uitbetaalde vergoeding voor onder lid 3 genoemde studiekosten aan werkgever terugbetalen indien werknemer het dienstverband binnen 1 jaar na beëindiging van de opleiding op eigen initiatief opzegt en 50% indien de werknemer tussen het eerste en het tweede jaar na beëindiging van de opleiding het bedrijf op eigen initiatief verlaat. Als peildatum wordt van de laatste dag van het dienstverband uitgegaan. Bij tussentijdse beëindiging van een studie zonder toestemming van de werkgever, is de werknemer verplicht om alle door de werkgever betaalde studiekosten terug te betalen.

36. Bijwonen van congressen, evenementen en voorstellingen

  1. Indien de werknemer uit hoofde van zijn functie op verzoek van of met voorafgaande goedkeuring van de werkgever (meerdaagse) congressen, evenementen en/of voorstellingen elders bezoekt zal de werkgever de deelname reistijd, reis- en verblijfkosten vergoeden. Voor verblijfkosten, die niet in de deelnamekosten zijn inbegrepen, stelt de werkgever de aard en de hoogte van de tegemoetkoming vast.
  2. Voor de dagen waarop de werknemer uit hoofde van zijn functie met goedkeuring van de werkgever elders verblijft in verband met (meerdaagse) congressen, evenementen en/of voorstellingen elders, bedraagt de werktijd maximaal 7,2 uur per dag.

37. Beëindiging van vergoedingen

  1. Gedurende de periode, dat de werknemer wegens ziekte, non-activiteit of wegens enig andere reden, gedurende een maand of langer aaneengesloten, geen arbeid verricht, kan de werknemer geen aanspraak maken op onkostenvergoedingen en op het voortgezet gebruik van een bedrijfsauto. Hierbij kunnen vaste langer lopende verplichtingen aan derden niet ten laste van de werknemer komen.
  2. Indien de werknemer een andere functie binnen de onderneming gaat vervullen, wordt bezien of en in hoeverre de genoemde vergoedingen en de terbeschikkingstelling van de bedrijfsauto van toepassing zijn in de nieuwe functie. Indien dit niet of slechts gedeeltelijk het geval is, vervalt de vergoeding geheel of gedeeltelijk, dan wel dient de bedrijfsauto te worden geretourneerd aan werkgever.